Vannacht verscheen je voor me in mijn droom.
Ik keek je aan, mijn hart sprong uit het slot.
Je zag er best goed uit voor een fantoom.
Strak pak. Je ogen klaar. Niets was kapot.
Je wenkte me. Bij toverslag bevond
Ik mij in Vila Pouca's vale licht.
In huis klonk zacht het janken van een hond.
Geen sprankje heimwee sprak uit jouw gezicht.
Je pakte toen mijn hand. We dansten rond
Door eindeloze kamers zonder boek.
Er was geen enkel woord dat ik verstond.
Voorzichtig leidde jij me naar het raam
En wees: de maan en sterren waren zoek.
Van schrik ontwaakte ik - en riep je naam.